Nieuwsbericht

 ‘Hoe voldoen we aan de nieuwe VVE-eisen?’

Op 6 juni 2018 geplaatst door

Elke kinderopvangorganisatie die voorschoolse educatie biedt, moet van­af 1 juli voldoen aan de nieuwe VVE-eisen. Wat betekent dit in de praktijk? Mbarka Abazar (50) is locatieverantwoordelijke bij Korein Kinderplein in Eindhoven. ‘Ik vind veranderingen in het belang van de kinderen prima, maar vraag me af: hoe moet ik dat vormgeven? En krijgen we daar vol­doende tijd voor?’ Abazar stelt haar zeven meest dringende vragen aan Isabella Bolt van GGD GHOR Nederland.

Auteur: Carla Overduin

1. Wij werken met ‘Peuterplein’. Ik be­grijp dat de GGD VVE-programma’s al­leen nog ziet als ‘leidraad’, die je niet strak hoeft te hanteren. Wat betekent dat? Mogen we ontwikkelingsstimule­ring invullen zoals bij onze identiteit past?
‘Ja, dat mag zeker. De nieuwe VVE-ei­sen zijn opgesteld om de kwaliteit te verbeteren. Doel is dat kinderen er echt baat bij hebben en dat de nieuwe manier van werken beroepskrachten stimuleert, dat zij meer plezier in hun werk krijgen. De regeling zegt eigen­lijk niets over het programma dat je hanteert. Het is belangrijk dat je als organisatie in je pedagogisch beleids­plan beschrijft wat jouw pedagogi­sche visie is, die natuurlijk past bij je identiteit. Je legt ook vast hoe je dit in de praktijk vormgeeft. De wet laat daarbij veel ruimte. Met verschillende visies, programma’s en activiteiten kun je dezelfde hoge kwaliteit beha­len. Wij kijken of het volledig is be­schreven: wat is je visie? Hoe stimu­leer je vaardigheden van het kind? Hoe betrek je ouders? Hoe richt je de ruimte in? Welke materialen gebruik je? Wij kijken of het begrijpelijk en in de praktijk ook zichtbaar is.’

2. Bij ontwikkelingsstimulering: wat verstaat de GGD onder activiteiten gericht op de diverse ontwikkeldo­meinen van kinderen? Kinderen ont­wikkelen zich de hele dag. Mag je dit zelf interpreteren?
‘Het is wel belangrijk dat je erover na­denkt hoe je taal, rekenen, motoriek en sociaal-emotionele ontwikkeling stimuleert. Hoe zorg je er als beroeps­kracht voor dat je aan alle gebieden aandacht geeft? Dat moet te zien zijn in je dagprogramma. Welke activitei­ten, welke materialen? Je doet dat niet helemaal uit de losse pols. Als beroepskracht moet je dat kunnen uitleggen. Natuurlijk volg je daarbij de behoeften van het individuele kind.’

3. Wat zijn de aanscherpingen in het kindvolgsysteem? Wij gebruiken KIJK!. Dat betekent drie keer per jaar observeren en verslagleggen, en tus­sendoor bespreken we de ontwikke­ling van de kinderen tijdens ons zes­wekelijks werkoverleg. Is dat genoeg? ‘Ook hier zijn geen vaststaande regels voor. De kinderopvangorganisatie kiest een methode, maar mag die ook zelf ontwikkelen. Het gaat niet om een x-aantal grote observaties en ver­slagleggingen, maar het gaat erom dat je weet wat een kind elke dag of week nodig heeft en dat je daar op in­speelt.’

4. Hoe ziet de GGD de warme over­dracht richting basisschool? Bij ons verloopt de overdracht in principe on­line, maar bij kinderen met bijzonder­heden mondeling. Is dat warm ge­noeg? 
‘Doel van de nieuwe eisen is dat kin­deren een goede en makkelijke over­stap maken naar de basisschool. Daarom moet je als organisatie in je beleid beschrijven hoe de ideale over­dracht er uitziet. Je beschrijft dus hoe je dat doet. Bijvoorbeeld: Korein werkt met Peuterplein; wordt deze metho­diek doorgetrokken naar groep 1? En als een leerkracht komt kennisma­ken, zijn er gezamenlijke activiteiten zoals voorleesmomenten met peuters én kleuters?’

5. Wat zijn de criteria voor coaching on the job? Een ‘x-aantal uren per medewerker per jaar’ werkt voor mij niet. Ik ken mijn team goed en kijk wat nodig is. De ene persoon krijgt dus meer coaching dan de ander.
‘Coaching valt onder de nieuwe IKK-eisen voor de kinderopvang. Van­uit de VVE zijn er per 1 januari 2019 eisen, maar het is goed dat veel orga­nisaties er nu mee aan de slag gaan. De kwaliteitsverbetering die coaching biedt, heeft ook voordelen voor de voorschoolse activiteiten.’

6. De opleidingseis voor een VVE-me­dewerker is een cursus van 12 dagde­len. Mag je iemand in opleiding al in­zetten of moet die de cursus hebben afgerond? Dan vrees ik dat ik onvol­doende gekwalificeerd personeel heb.
‘Dit is een kwaliteitsslag en die begint met goed opgeleide beroepskrachten. Wie geen VVE-certificaat heeft, moet inderdaad een VVE-scholing van mini­maal 12 dagdelen volgen. Die moet af­gerond zijn voor je VVE mag doen. Wie nog niet klaar is, mag in de kinderop­vang werken en alleen boventallig bij VVE worden ingezet. Daarnaast moe­ten VVE-medewerkers zich blijven ontwikkelen. Daarom moet de organi­satie een opleidingsplan voor ieder­een schrijven, waarbij kennis en vaar­digheden op peil worden gehouden.’

7. Hoe waarborgt de GGD met zoveel toezichthouders dat iedereen op één lijn zit? We merken nu dat sommigen de regels strak hanteren en anderen flexibeler zijn.
‘Ja, alle toezichthouders worden ge­traind op de nieuwe VVE-eisen, maar ook is in het nieuwe toezicht het ge­sprek met de beroepskracht of houder belangrijker geworden. We streven naar uniformiteit van ons toezicht, daarom hebben we een VVE-werk­groep met toezichthouders uit het he­le land. Zij zijn inmiddels meerdere keren bij elkaar geweest om zich voor te bereiden op de nieuwe eisen. Ver­der stemmen de GGD’en elk kwartaal tijdens regionaal overleg met elkaar af en wisselen we nieuwsberichten uit via ons Kennisnet. Het gaat ons er echt niet om met het afkeurende vin­gertje te zwaaien. We willen samen met het vak werken aan kwaliteit en zo de beste resultaten verkrijgen. Ik denk dat het nieuwe toezicht echt goed gaat werken.’

Eisen aan VE per 1/7/2018

1. De houder beschrijft in het pedagogisch beleidsplan zo concreet en toetsbaar mogelijk:

- De voor het kindercentrum/peuterspeelzaal kenmerkende visie op voorschool­se educatie en hoe je die herkent in de activiteiten.
- Hoe wordt de ontwikkeling van het jonge kind gestimuleerd? (Taal, rekenen, motoriek, sociaal-emotionele ontwikkeling)
- Hoe wordt de ontwikkeling van peuters gevolgd en hoe stem je het voor­schoolse educatie aanbod hierop af?
- Hoe worden ouders betrokken bij de ontwikkelingsstimulering?
- Inrichting van een passende ruimte met passend materiaal.
- Hoe worden de inhoudelijke aansluiting tussen voor- en vroegschoolse educa­tie en een zorgvuldige overgang vormgegeven?
2. De houder voert dit uit, evalueert jaarlijks en stelt zo nodig bij.

Bron: Besluit basisvoorwaardenkwaliteit voorschoolse educatie

"Dit artikel is met toestemming van de redactie overgenomen uit Management Kinderopvang 2018, nr.3, www.kinderopvangtotaal.nl

Bijlagen

Om te reageren dien je eerst in te loggen.

Heb je nog geen profiel? Registreer dan eerst om een nieuw profiel aan te maken.